Tranen kennen geen kleuren of vakken

Gregory MertensDat er een jonge voetballer, amper 24, nog niet eens in de volle fleur van zijn leven als mens en als sporter, moest doodgaan om onze stadions weer heel even te vullen met menselijke warmte, wederzijds respect en gemeend verdriet, het is zo verdomd jammer. Gregory Mertens verbond afgelopen weekend de harten van voetballiefhebbers die elkaar op ieder ander moment figuurlijk naar het leven staan.

Volgende zaterdag zijn de abonnees van Cercle Brugge gratis welkom op Daknam, waar Sporting Lokeren zijn laatste play off 2-wedstrijd speelt tegen KV Oostende. Een geste van de laatste club waar Mertens speelde voor de supporters van zijn vorige werkgever. Het is niet veel en toch is het dat tegelijkertijd weer wel. Over de dood van een voetballer heen blijkt solidariteit plots wel mogelijk te zijn. Worden vetes tijdelijk omgezet in gemeenschappelijke tristesse. Zijn voetballers verenigd in hun peilloze gedachten bij het veel te vroeg verdwijnen van een onfortuinlijke collega, op een onoplettende die net in die minuut applaus zijn veters wilde strikken na.

Waarom kan dat niet bij elke wedstrijd? Waarom moest er per se iemand sterven om het spelletje voetbal te kunnen relativeren? Waarom worden bestuurders, supporters en spelers geacht om elkaar te haten, als was het alledaagse leven één lange Hate Game? Zelf heb ik het concept ‘supporteren voor de club van je hart’ van jongs af aan begrepen, maar ik heb mij nooit verlaagd tot ‘supporteren tegen een andere club’. Dat lag nochtans ook al in de jaren zestig en zeventig voor de hand in de grootste stad van Vlaanderen. Anderen lieten zich wel gaan. Daar zaten vechtersbazen tussen, herrieschoppers, schorremorrie, maar net zo goed tijdens de week door en door brave huisvaders die eenmaal in de omgeving van een voetbaltempel alle fatsoensnormen leken af te werpen. Toen én vandaag.

Wie al eens in het buitenland naar het voetbal gaat, weet dat de sport ook daar intens beleefd wordt. Té, soms. Ook in de grote voetballanden is er een apart vak voor de fans van de uitploeg. Toch zie je de supporters daar rond het stadion toch meer door elkaar heen lopen. Een paar jaar geleden woonde ik een halve finale van de FA Cup bij tussen Arsenal en Chelsea. Netjes gescheiden op de tribunes, achteraf gezellig samen in een trechter naar het dichtstbijzijnde metrostation. Die van Chelsea riepen dat ze meer van Tottenham – de Noord-Londense aartsvijand van de Gunners  – hielden dan van Arsenal, die van Arsenal schreeuwden terug dat Chelsea een bijeen gekocht clubje was. Daar bleef het bij: decibels produceren.

Natuurlijk is het niet altijd peis en vree: kijk maar naar de racistische Chelseafans die een zwarte man de toegang tot een Parijse metrotrein ontzegden. Elke week hoor of lees je verhalen over amokmakers die de sfeer verpesten. Maar een segregatie zoals wij die hier hebben georganiseerd in de loop van de jaren is toch wel vrij uniek. Uniek in de zin van: jammer dat het zo moet.

Na het Heizeldrama nam de geschokte internationale voetbalwereld maatregelen om de veiligheid van supporters beter te kunnen waarborgen. Zou het niet mooi zijn dat na het drama dat de familie Mertens overkwam de Belgische voetbalwereld werk zou maken van het opheffen van de hokjesgeest? Best mogelijk dat de supporters het appreciëren dat ze niet meer als beesten in een stal worden gejaagd.

Kunnen we het op zijn minst eens proberen?

Frank Van Laeken

Advertisements

Broeder Walfrid zag sport anders

Brother Walfrid

April is sportmaand in de media. De grote klassiekers worden gereden, de belangrijkste voetbalfinales worden gespeeld, de play-offs in meerdere sporten opgestart. Vooral de populaire sporten nemen op deze wijze maatschappelijk een voorname plaats in.

Websites, televisie, radio, kranten, sociale media: alle communicatievormen puilen uit van de sportberichtgeving. Veel berichten over winnaars en verliezers maar minstens evenveel berichten over geweld, agressie en collectief asociaal gedrag. We kunnen er niet naast kijken. Een razende supporter sloeg vorig weekend in Destelbergen een scheidsrechter buiten westen. Volgens een sportkrant is het  “schandalig hoe trainers en spelers door het publiek moeten in bij sommige clubs. Erop rekenen dat fans zich beschaafd gedragen bij het zien van de tegenstander is, hoe jammer ook, niet meer van deze tijd.  Het haten, spuwen en provoceren is zo vreselijk gewoon geworden…”

Maar voetbal heeft niet alleen het voorrecht van asociaal en onverantwoord gedrag. De wielrenners kennen er ook wat van. Zo  waren afgelopen weekend  de profrenners van Parijs-Roubaix en de beloften in de Ronde van Vlaanderen  blind voor de slagbomen aan een spoorweg.

En toch hoeft het allemaal zo niet te zijn. Een klein mailberichtje van Football+ Foundation wees me de weg naar een veel constructievere bijdrage aan de maatschappij dank zij de sport. Deze week is het de honderdste verjaardag van het overlijden van broeder Walfrid O Céirin, de Ierse oprichter van voetbalclub Celtic Glasgow. Hij zag dit in 1888 als een fundamenteel sociaal initiatief. Het was voor hem in de eerste plaats een fundraising project ten voordele van de armen in East end Glasgow. Hij werkte met kinderen die blootvoets in de straten van de wijken Bethnal Green en Bow moesten overleven.

De gedachte leeft vandaag in Glasgow nog verder. In 2005 werd er voor Brother Walfrid een drie meter hoog bronzen standbeeld opgericht. Veertien scholen uit de buurt werkten eraan mee. De kapiteins van Celtic maar ook deze van de Rangers tekenden bij de inhuldiging present, samen met de aartsbisschop en duizenden fans…

Sport en maatschappij zijn zo innig met elkaar verbonden dat we ze niet in de exclusieve handen mogen laten van de geobsedeerden, de charlatans of de simpelen van geest.. Dank zij de media kennen we de excessen maar hopelijk blijft er voldoende journalistieke ruimte over voor de constructieve initiatieven, zoals Scoren Tegen Kanker bijvoorbeeld. Per doelpunt dat op de volgende speeldag wordt gescoord zal de Pro League 2.500 euro voor de actie storten. Proficiat profliga om mee te werken aan deze belangrijke actie.

Marc Michels en al zijn vrijwilligers bij Kom op tegen kanker vragen om dit weekend wat plaats te maken in ons supportershart voor allen die door de vreselijke ziekte getroffen worden. Dit kunnen grootse momenten zijn voor de sport: waarbij sport als de belangrijkste bijzaak, de hoofdzaak, een solidaire samenleving, ondersteunt.

Zo zag broeder Walfrid alvast de rol van de sport.

Jan Callebaut

IK ZWIJG TEGEN DE REF !

Het amateurvoetbal heeft te kampen met een scheidsrechterstekort. Vooral in het jeugdvoetbal is dat zeer zichtbaar: de meeste wedstrijden worden gefloten door gevorderde grootvaders, terwijl er zich intussen maar heel weinig jonge refs aanbieden. Verwonderlijk is dat niet: vrijwel overal waar de refs hun opwachting maken, worden ze geconfronteerd met verwensingen, scheldtirades, beledigingen, bedreigingen, en, in extreme gevallen, geweld.

Als jeugdtrainer wil ik het hier niet hebben over de rol die supporters daarbij spelen, maar wel over de voorbeeldfunctie die coaches en ploegafgevaardigden in deze problematiek te vervullen hebben. Al te vaak immers laten ook zij zich verleiden tot (negatief) supportersgedrag: ze betwisten  zowat elke beslissing, zijn voortdurend verongelijkt, voelen zich systematisch benadeeld – en dat allemaal nog méér wanneer “ze” op achterstand komen. Sommigen roepen sporadisch, anderen staan een hele wedstrijd te brullen en te briesen.

Minstens twee essentiële misvattingen liggen aan de basis van dit gedrag. De eerste is dat er per se gewonnen moet worden. Dat is natuurlijk niet het geval, zéker niet in het jeugdvoetbal. Het is leuk om te winnen, maar niet erg om te verliezen. Verliezen is minstens even leerrijk en vormend als winnen. Bovendien kunnen kinderen  héél goed verliezen (op hun computerspelletjes doen ze nauwelijks iets anders!), zeker als hun coaches hen helpen om nederlagen in het juiste perspectief te zien.

De tweede essentiële fout is dat coaches en afgevaardigden de rol en de invloed van de ref overschatten. Ze zien de ref als een alles bepalende scheidsrechter, terwijl hij eigenlijk gewoon een spelleider is. Zijn taak is, letterlijk, om het spel in goede banen te leiden – niet meer of niet minder. Dat élke ref in iédere wedstrijd dubieuze of zelfs gewoon foute beslissingen neemt, is zonder meer waar. Maar de vaak gehoorde klacht dat scheidsrechters partijdig zouden zijn, is klinkklare nonsens. Waarom zouden ze? Hoogstens kan het gebeuren dat ze in de loop van een wedstrijd meer sympathie beginnen krijgen voor de ploeg van de minst brullende coach, al zijn er natuurlijk ook die bezwijken onder de bruldruk. Maar partijdigheid, neen, die is vrijwel altijd een perceptie van de betrokkenen, die zelf het gevolg is van overdreven competitiviteit.

Voor mezelf heb ik twee jaar geleden de beslissing genomen om NOOIT nog commentaar te geven op de ref. Ik heb daar persoonlijk alleen nog maar voordelen van ondervonden. 1. Je blijft als coach voortdurend gefocust op het coachen zelf, wat het ploegspel zeer ten goede komt; àl je energie gaat naar de opbouw; 2. Je leert onrechtstreeks ook aan de kinderen om het reclameren achterwege te laten, waardoor ze zich sneller en beter concentreren op de taken die ze moeten uitvoeren; ze leren op die manier ook omgaan met frustraties, en hoofdzaak en bijzaak te onderscheiden; 3. Je kan een eventuele nederlaag veel makkelijker incasseren en relativeren (iets wat de meeste spelers sowieso véél beter kunnen dan hun coaches!); je aandacht gaat immers niet zozeer uit naar de uitslag, als naar de werkpunten. Het vizier is altijd weer direct op de toekomst gericht.

Voor sommigen zal dit allemaal wat soft klinken, maar dat is het allerminst: er is meer mentale kracht nodig om te zwijgen dan om te schelden, meer moed om de verantwoordelijkheid bij zichzelf dan bij andere te leggen. Laten we de refs koesteren, uit respect en zelfrespect, en om de toekomst van het jeugdvoetbal mee veilig te stellen. En laten we ook niet vergeten dat deze houding in zowat alle andere sporten ter wereld als normaal wordt beschouwd. Wat dat betreft, staat voetbal helemaal achteraan in de rij. Een wereldsport verdient beter.

Misschien moet ook de bond maar eens een initiatief nemen, niet alleen door de professionele coaches veel strenger te sanctioneren wanneer ze weer eens de neus van een vierde scheidsrechter afgebeten hebben, maar ook door jeugdcoaches positief te stimuleren. Misschien kunnen ze IK ZWIJG-badges maken om op de trainersvesten te spelden; misschien kan de scheids ook na elke match het gedrag van de coaches en afgevaardigden op het wedstrijdblad quoteren via een eenvoudige code. En misschien mogen de resultaten daarvan zelfs een rol spelen bij de beoordeling van de jeugdclubs. Allemaal niet moeilijk, maar wel heel waardevol. Wie wil, kan nu al zijn goede intenties te kennen geven, door via http://ikzwijgtegenderef.petitie.be/ de IK ZWIJG TEGEN DE REF-actie te ondertekenen.

Pieter Bergé,
jeugdvoetbalcoach

Scoren in het Echte Leven

ScorentegenKanker-Beeld1Ik zag vorige week een tweet passeren van Football+ Foundation waarin spelers en supporters van Lierse SK werden toegejuicht omdat ze ouders van overleden baby’s en de vzw Met Lege Handen steunden. Zoals dat doorgaans gaat in de sociale media heb ik dit mooie bericht onmiddellijk geretweet. Er is al genoeg verzuring in de wereld, kleine fijne initiatieven die de kille samenleving iets warmer maken verdienen onze aandacht.

Achteraf had ik wel een bedenking: wat de play-off 3-club deed vinden we nu zo geweldig omdat het vrij uitzonderlijk is in ons profvoetbal, terwijl we het eigenlijk normaal zouden moeten vinden. Voetbalclubs moeten met hun twee voeten in de samenleving staan en al zeker in hun directe leefomgeving: de buurt, de wijk, de stad. Als voetbal zich beperkt tot een competitiewedstrijd om de veertien dagen staat het buiten de maatschappij. Dan wordt het louter een commercieel evenement: u betaalt om tweeëntwintig gladiatoren en een handvol scheidsrechters gedurende negentig minuten en nog wat toegevoegde tijd het beste van zichzelf te zien geven en daarna houdt het weer voor een tijdje op.

Het moderne voetbal kan zoveel meer betekenen voor supporters en buurtbewoners dan dat tweewekelijkse piekmoment. Een paar jaar geleden reed ik als woordvoerder van een eersteklasser samen met de toenmalige sterspeler van de club naar Gasthuisberg in Leuven, om er op bezoek te gaan bij een tienjarig kankerpatiëntje. Een initiatief was het van de community manager die op zijn beurt gecontacteerd was door een van de talloze vzw’s die zich nog belangeloos inzetten voor hun medemensen. De voetballer morde niet, integendeel. Toen hij die jongen ontmoette kwam het kind in hem los. Een grapje, wat dollen met een plastic bal, lachend mee op de foto: je zag twee jongens die het heel even goed met elkaar konden vinden. Uiteraard zal er een stukje acteertalent bij te pas zijn gekomen, maar ik ben er zeker van dat de voetballer het ook méénde. En die jongen fleurde heel even helemaal op, kon zijn zorgen tijdelijk opbergen, was eventjes geen patiënt die veel te jong met een verwoestende ziekte op een anonieme kamer in een onpersoonlijk groot ziekenhuis beland was, maar een tienjarige zoals al zijn leeftijdgenoten. Iemand die dolgraag speelt en die opkijkt naar helden in korte broek.

Daar en dan besefte ik des te meer dat voetbalclubs en voetballers een belangrijke maatschappelijke rol te vervullen hebben. Een rol die niet begint bij het betreden van het veld en eindigt bij het laatste fluitsignaal. Een rol die zich niet alleen in korte broek afspeelt. Een rol die ruimer gaat dan het spelletje waar ze toevallig goed in zijn en gemiddeld 21.000 euro bruto per maand mee verdienen, zoals we eveneens vorige week via de krant vernamen.

Het is goed dat Football+ Foundation het initiatief van Lierse SK een zetje geeft. Het zou nog veel beter zijn mocht dit niet meer nodig zijn, omdat alle betrokkenen dit normaal zouden achten. Voetbal staat met twee voeten in het Echte Leven of zou dat toch moeten doen. ‘Scoren tegen Kanker’ is mooi, nuttig en noodzakelijk. Laten we het uitbreiden tot ‘Scoren in het Echte Leven’.

Frank Van Laeken

Sport is de ultieme metafoor van de harmonieuze samenleving

Deze column verscheen eerder in De Morgen

5.000 mensen plannen op 18 april een rouwdag omwille van het einde van K3. Een miljoen mensen tekenen een petitie tegen het ontslag van Top Gear-presentator Jeremy Clarkson. Mediafiguren beroeren mensen. Ze vormen vaak het verbindingsteken tussen vreemden. Ze zorgen voor gespreksstof en creëren zo kansen tot sociaal contact. Media zijn echt de hoeksteen van de dagelijkse samenleving. Media reduceren tot een puur economisch product is voorbijgaan aan de emotionele brandstof die ze elke dag leveren.

Deze vaststelling gaat ook op voor sport. Sport is vaak het eerste oefenterrein van het (volwassen) leven. Het is het terrein waar kinderen voor het eerst oprecht bewondering kunnen ervaren van volwassenen. In de sport kunnen ze als het ware oefenen hoe het er in het ‘echte’ leven aan toe zal gaan. Je krijgt applaus op basis van je talent, je werkkracht, je inzet. Je verdient het zelf. Sport overwint een generatiekloof: kinderen, ouders, grootouders, buren, vrienden kunnen zich verbonden weten in de sport. Je deelt het met anderen, of je het nu zelf beoefent of andermans prestaties bewondert. Sport zorgt voor helden aa wie mensen en gemeenschappen zich optrekken.

Dankzij de media hebben sport en fysieke activiteiten een prominente plaats gekregen in de samenleving. Slimme, leidinggevende mensen joggen, fietsen, sporten. Ze komen er ook voor uit sporthelden als voorbeeld te zien. De mediabelangstelling voor sport heeft zo voor meer harmonie en respect voor het lichaam gezorgd.

Sport laat mensen ondervinden dat anderen waarde hebben, dat je rekening moet houden met de ander. Het is de ultieme metafoor van de harmonieuze samenleving: waar je passie en werk deelt, waar je dezelfde wetten en regels aanvaardt, waar talent primeert op afkomst, taal of kleur, waar ervaring relatief is, waar verschillende generaties samenwerken.

Voor Vlaanderen zijn de topsporten zonder enige twijfel voetbal en wielrennen. In vele dorpen en wijken heeft het weekendvoetbal de verzamelende rol van de zondagsmis overgenomen. Hier ontmoeten buren en dorpsgenoten elkaar. Hier praten ze met elkaar. Hier moedigen ze hun kinderen aan en vormen zo één team.

Het wielrennen zorgt voor een aantal bijzondere gemeenschapsdagen. Zo is de Ronde van Vlaanderen voor de Vlaamse samenleving emotioneel belangrijker geworden dan Pasen. De processies hebben plaats geruimd voor wielertochtjes. Het is het weekend waar velen op zaterdag zichzelf sportief meten met de Vlaamse hellingen en kasseien.

Elke cultuur, elk volk heeft zijn favoriete sporten die gekoesterd worden als symbolen van samenleven. Het zijn die sporten die mensen samenbrengen, die voor verbondenheid zorgen. De hoogdagen in deze sporten definiëren samenlevingen. Het respect dat men opbrengt voor deze topevenementen, definieert ook het respect dat overheden hebben voor hun inwoners.

Als openbare omroep, gefinancierd met gemeenschapsgeld, is het aan de VRT om deze componenten van het samenleven verder te voeden. In feite zou de VRT niet alleen de zondagse Ronde van Vlaanderen vanaf minuut één in beeld moeten brengen, maar ook de hele amateurzaterdag. Het is Vlaanderen op zijn best.

Jan Callebaut

Terug naar Downtown

Ik geef toe dat ik dit stuk niet onbevooroordeeld schrijf. Als supporter van Beerschot sinds ASS HLN KFCO Beerschot Wilrijkik zeven was – héél lang geleden… – heb ik op drie Belgische bekers na weinig te vieren gehad. Na twee faillissementen en een grotendeels mislukte fusie is het hartverwarmend dat het nieuwe project KFCO Beerschot-Wilrijk afgelopen weekend de tweede titel op rij mocht vieren. Volgend seizoen speelt de club in de derde klasse, nog altijd ver verwijderd van de Jupiler Pro League.

Ooit was (Germinal) Beerschot een te duchten tegenstander voor alle eersteklassers. Een verplaatsing naar het Kiel, met zijn mondige en altijd de grenzen van het goede fatsoen aftastende supporters, werd niet als een pretje ervaren. Het Olympisch Stadion – dat overigens in de verste verte niet meer lijkt op de plek waar 95 jaar geleden Olympische Spelen werden georganiseerd – blijft iets mythisch hebben.

Lange tijd had deze club een van de beste community-werkingen van het land. Stonden Germinal Beerschot en later Beerschot AC niet dadelijk in de hoogste regionen van het klassement, dan waren ze wel top op het vlak van sociale uitbouw. Dat was de verdienste van het clubbestuur, dat aanvankelijk heel enthousiast meewerkte, maar vooral van community manager Paul Beloy, ex-speler van de club, van Congolese origine, gepokt en gemazeld in alles wat met diversiteit te maken heeft in een uitermate moeilijke omgeving, de stad Antwerpen. Ook het Kiel heeft zo zijn probleemwijken, met hoge concentraties van inwoners met een migratieachtergrond, een autochtone bevolking die daar niet altijd even gelukkig mee is en stadsbestuurders die daar zelden wijs mee omsprongen.

Beloy bouwde destijds Downtown uit, een omvangrijk project dat een link wilde leggen tussen de voetbalclub en haar omgeving. Jonge, voornamelijk allochtone voetballertjes werden uitgenodigd voor voetbalstages, kansarmen verwelkomd op drempelverlagende namiddagen, buurtbewoners betrokken bij Beerschot. Als er ooit sprake was van de juiste man op de juiste plaats, was het Paul Beloy wel. Tot het toenmalige bestuur besloot om het project op te doeken, er ‘Scoren in de Stad’ van te maken en het aantal initiatieven tot het strikte minimum te beperken.

Drie jaar nadat Beloy met onzachte hand naar de uitgang werd begeleid, is het wachten op een nieuw project. Beerschot-Wilrijk mag dan binnenkort nog maar een derdeklasser-mét-ambitie zijn, de club belichaamt nog altijd veel meer dan wat het momenteel is. Het Beerschot-gevoel leeft meer dan ooit. Bij de topper in vierde klasse deden 11.500 razend enthousiaste toeschouwers het Olympisch Stadion vollopen. Het positivisme bij bestuur, spelers en aanhang is ongezien: mensen gaan opnieuw met plezier naar het stadion.

Het zou dan ook een prachtig en krachtig signaal zijn mocht het huidige clubbestuur opnieuw investeren in community. Investeren moet u dan vooral lezen als: tijd en energie steken in het op poten zetten van een geloofwaardig project en er volop voor gaan. Zelfs op een voorlopig nog bescheiden niveau als de derde klasse zou Beerschot-Wilrijk het verschil kunnen maken, door nu al professioneel om te springen met wat de opvolger van Downtown zou kunnen worden.

In de uitbouw van een veelbelovend project, dat op heel veel sympathie en gemeende belangstelling mag rekenen van de Vlaamse voetballiefhebber, zou community veel meer zijn dan de kers op de taart. Het zou een fundamenteel bestanddeel van de taart kunnen worden. En wie weet dat de hele buurt dan straks ‘Oep het Kiel is ‘t carnaval’ meebrult. We mogen toch af en toe dromen, zeker?

Frank Van Laeken

No to racism!

No to racismEen hartverwarmend signaal was het, toen Club Brugge vorige donderdag met het opschrift ‘No to racism’ het terrein opstapte tegen Besiktas. Ongezien in Europa, ondanks de al vele jaren lopende anti-racismespot met bekende koppen uit het internationale voetbal. Mooi zo, van een op Europees vlak niet meer dan bescheiden deelnemer aan de Europa League. Ook op andere vlakken dan het sportieve kan je top zijn.

Dit gebaar stond echter in schril contrast met het gedrag van een aantal heetgebakerde supporters van Club, die na de match tegen Besiktas Turkse fans aanvielen. “Dit was puur, onversneden racisme”, reageerde de Brugse korpschef ongezien heftig. Eerder al had het bestuur van Club vier supporters eigenhandig een stadionverbod voor onbepaalde duur opgelegd omdat ze bij een vorig incident ook al mensen van Turkse origine hadden lastig gevallen op een parking, wangedrag dat niet kon worden aangepakt via de Voetbalwet, omdat die zich beperkt tot gedragingen in en om het stadion bij een match. Knap was dat, van het Brugse bestuur, een krachtig signaal.

Het is hoogst opvallend dat een club die bij twee gelegenheden het goede voorbeeld gaf en die de jongste jaren met haar goed uitgebouwde community-werking voortdurend blijk gaf met twee voeten in de samenleving te staan, zo wordt te kakken gezet door een minderheid van de eigen supporters, ziekelijke herrieschoppers die met een denkbeeldig shirt met daarop ‘Yes to racism!’ rondlopen. Het geeft ook goed aan welke tweespalt er nog altijd bestaat tussen de goede intenties van een bestuur – wat je helaas niet bij alle clubs in de Jupiler Pro League tegenkomt! – en de totale desinteresse van heel wat supporters voor het maatschappelijk engagement van hun club.

Er is nog veel werk aan de winkel, de sensibiliseringscampagne is niet eens halfweg. Bij Club Brugge zullen ze goed beseffen dat ze wel vier racistische fans uit het Jan Breydelstadion hebben verwijderd, maar niet het racisme zelf. Als de daders van de agressie tegen de Besiktasfans worden geïdentificeerd heeft Club geen andere keuze dan ook hen streng te straffen. En de volgende keer opnieuw. En de keer daarop weer. En dan nog eens en nog eens en… Het is de terechte en enige mogelijke weg die Club Brugge is ingeslagen en die alleen maar kan lukken als het er consequent blijft tegen optreden.

Tot de supporters door hebben dat elke misstap onmiddellijk en onverbiddelijk tot maatregelen leidt. Niet dat ze daarom minder racistisch zullen worden – die illusie koesteren zou al te naïef zijn -, maar ze zullen tenminste een vorm van zelfcensuur beginnen toepassen en zich gedeisd houden in de wetenschap dat het loslaten van hun primaire bange-blanke-man-gevoelens aanleiding zal geven tot de uitsluiting van het bijwonen van de thuiswedstrijden van hun geliefde club. Het bij de wortels aanpakken van racisme moeten andere geledingen van de samenleving maar doen, te beginnen met de verschillende overheden.

No to racism! Altijd. Overal.

Frank Van Laeken

Op je honger blijven met Zlatan

(Deze bijdrage verscheen eerder in de De Standaard)

Iemand gaf Ibrahimovic een zwarte stift en zei: ‘Kan jij daar eens een goeie grap mee uithalen, Zlatan?’ Tuurlijk wel, zei de Zweed, en hij maakte zich een onmondige woordvoerder van 805 miljoen hongerlijders.

Wie niet weet waar dit over gaat, moet op Youtube maar eens de trefwoorden ‘Zlatan’ en ‘names’ ingeven. Je krijgt er prompt een reclamespot voor Zlatan Ibrahimovic geserveerd, vermomd als een campagne voor het World Food Programme (WFP), een afdeling van de Verenigde Naties.

De toon is meteen gezet: de alom geliefde goalgetter wordt als een halfgod door de massa op handen gedragen. Maar, zo vertelt hij ons, niet iedereen krijgt de steun en aandacht waar hij zelf van mag genieten. Er zijn mensen die geen wereldvoetballer zijn, en honger hebben. Het lijkt hem daarom een goed idee om die anonieme sukkelaars voor het voetlicht te brengen. Niet door hen het woord te geven, maar door hen kriskras op zijn blote bast te tatoeëren. Zlatan = 805 miljoen namen.
Als hij in het volgende beeld scoort, weerklinkt zijn halfgoddelijke voice-over. ‘So whenever you hear my name, you will think of their names. Whenever you see me, you will see them.’

Weg is de honger, verdronken in de egotrip die Zlatan heet. Van die 805 miljoen mensen die in armoede leven, zullen we er niet één zien. Het campagnefilmpje eindigt wel met de boodschap dat zij nog altijd lege magen hebben. De wereld moet dat weten.
Eventjes stilstaan. Eventjes…

Als kijker blijf je daarmee zelf op je honger zitten. Wat wordt nu eigenlijk gevraagd? Niet om geld over te maken aan een goed doel of om onze politici aan te porren iets te doen aan dit onrecht. Wel om eventjes stil te staan bij het feit dat er veel honger is in de wereld. Als het even kan een dag of tien. Zolang duurt het immers vooraleer Zlatan de inkt van zijn vel doucht.

Het is van een ongekend cynisme dat een van de best betaalde voetballers ter wereld zo’n marketingcadeau krijgt. Geen PR-bureau kan ooit de merk- en marktwaarde van Ibrahimovic zo oppompen als het WFP met deze campagne doet. De Zweed heeft daar klaarblijkelijk zelf niets voor moeten doen. Nergens horen we wat zijn eigen bijdrage is, op het aanbieden van zijn vel als canvas na.
Want wat is nu eigenlijk Zlatans boodschap? Welk standpunt neemt hij in, welke vragen werpt hij op? En niet het minst: wat doet hij er zelf aan? Volgens het Amerikaanse tijdschrift Forbes heeft Ibrahimovic vorig jaar 40 miljoen dollar verdiend. Aangezien de internationale armoedegrens op 1,25 dollar per dag ligt, zou de koene armoedebestrijder dus met een kwart van dat bedrag een jaar lang meer dan 20.000 mensen uit de ellende kunnen hijsen.

Is een stervoetballer of een pop-icoon dan enkel een filantroop als hij zijn portefeuille opentrekt? Niet noodzakelijk. Ze hebben vaak een podium en een publiek dat een ander niet heeft. Of je Bono nu een klier vindt of niet, hij krijgt in veel landen meer gehoor dan pleitbezorgers van organisaties die met ontwikkelingssamenwerking bezig zijn.

Maar dan moet je wel iets betekenisvol met dat podium willen doen. Indien niet: blijf er in godsnaam weg. Ga in elk geval niet een levensbelangrijk onderwerp kapen ter meerdere eer en glorie van jezelf. De clip van de megalomane Zlatan was gisteravond ruim 3,6 miljoen keer bekeken. Hoeveel daarvan zouden bij zijn 805 miljoen zitten?

Bert Ballegeer

Voetbal zal sociaal zijn of het zal niet zijn

Niets menselijks is de voetbalwereld vreemd. Dat mag u zowel ten goede als ten kwade interpreteren. Nergens anders is de samenhorigheid, de eendracht, de liefde voor de eigen kleuren en de passievolle gloed zo immens groot. Maar ook de uitwassen liegen er niet om: hooliganisme, ontoelaatbare handelingen op en naast het veld, haantjesgedrag, de wet van de sterkste of de luidste roeper geldt.

Voetbal is dan ook een uitvergroting van Het Leven zelf: niet groter dán het leven, zoals de legendarische Liverpoolmanager Bill Shankly ooit ongeveer letterlijk zei, maar er wel met beide voeten middenin staand. Oorlog en vrede, je vindt het ook op de groene grasmat, zij het met andere wapens (en gelukkig maar!).

Voetbal maakt onmiskenbaar onverbrekelijk deel uit van het sociale weefsel van de wijk, de stad of het land. In die optiek is het onbegrijpelijk dat er in het Belgische voetbal relatief weinig aandacht besteed wordt aan het uitbouwen van het sociale netwerk. Versta me niet verkeerd: het gaat de goede kant op, maar de achterstand met de Europese Top 5 is bijzonder groot.

Community-werking in de ons omringende voetballanden – Engeland op kop, maar ook in Duitsland, Nederland, Frankrijk en de Scandinavische landen – bewijst dat je veel kunt bereiken door hoog in te zetten op de wisselwerking tussen de voetbalclub en de omringende leefgemeenschap. Indien goed uitgevoerd, zorgt de community manager ervoor dat er een betere buurtwerking komt, dat het clubbeleid wordt afgestemd op de noden en angsten van de buurtbewoners, dat de lokale jongeren actief kunnen zijn in en rond de club, en dat bestuur, spelers en supporters worden gesensibiliseerd om zich achter belangrijke maatschappelijke acties te scharen.

Een aantal verlichte geesten heeft dat door en verdient daar alle steun voor, ja, zelfs een hartverwarmend applaus. Helaas kan het nog zoveel beter. Voorzitters zijn meestal uit op het snelle gewin en zien de community manager eerder als een zeurpiet dan als een gewaardeerde medewerker, iemand die bovendien niet voor extra inkomsten zorgt, wit of zwart.

Slechts een handvol Belgische clubs vindt “community” vandaag belangrijk, de rest hinkt maar wat achterna omdat er nu eenmaal subsidies aan vasthangen en omdat de lokale politieke wereld dit van hen eist. Heel wat clubleiders gaan er nog altijd van uit dat ze sportief het verschil kunnen maken. Zij dwalen. Een voetbalclub is zoveel meer dan die negentig minuten in het weekend.

Een goed uitgebouwde community-werking kan en zal ervoor zorgen dat ingrijpende maatschappelijke problemen als racisme, armoede en zelfs seksisme worden aangepakt op clubniveau. Het zal jonge voetballertjes een geweten schoppen en oudere voor hun verantwoordelijkheid stellen. Het zal uitgeslotenen opnieuw opnemen in de lokale samenleving. En het zal iedereen de beginselen van fair play, op alle vlakken, meegeven.

Om voormalig sp.a-voorzitter Steve Stevaert te parafraseren: het voetbal van de toekomst zal sociaal zijn of het zal niet zijn.

Frank Van Laeken